
Na de beschamende vertoning vorig jaar tijdens de milieutop in Kopenhagen, is pas ook de walvisconferentie in Adagir, Marokko jammerlijk mislukt. Zoals de gewoonte is bij dit soort toppen, werd er gepraat, gediscussieerd, onderhandeld en nog een beetje meer gepraat, terwijl de uitkomst van tevoren al vaststond. IJsland, Noorwegen en – vooral – Japan hadden de harpoenen allang weer uit het vet gehaald voor een volgende massaslachting.
Even voor de duidelijkheid: de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC), de organisator van de conferentie, is niet opgericht om de walvisvaart te stoppen, maar om de jacht te reguleren om zo overbejaging (en uiteindelijk uitsterving) te voorkomen. Zo stelde de IWC in de jaren tachtig een tijdelijk verbod op de commerciële jacht (een moratorium) in. Jagen op walvissen mocht nog steeds, zolang het maar in naam van de wetenschap gebeurde.
IJverige wetenschappers hebben er sindsdien voor gezorgd dat de walvisvleesschappen van de Japanse en Noorse supermarkten (IJslanders zouden het vlees niet eens lusten!) nooit leeg raakten. Onder het verbod was zelfs jagen in beschermde walvisreservaten geen probleem. Zoals zo veel internationale verdragen bleek het moratorium in de praktijk een wassen neus.
Japan speelt het machtsspelletje het beste en houdt de rest van de wereld in een wurggreep. Wat zich tijdens de conferentie afspeelde laat zich nog het best vergelijken met het gedrag van een straatbende. Een of twee gewetenloze bullebakken ranselen een slachtoffer af dat zich niet kan verweren; een klein groepje opportunistische meelopers hebben zo hun eigen redenen om ook een paar klappen uit te delen. En de meerderheid kijkt zwijgend toe terwijl het slachtoffer langzaam doodbloedt.