‘Koe heeft eigenlijk glucosamine nodig voor zijn artrose. Maar daar zit haaienkraakbeen in. Dat kan ik hem toch niet geven?!’ Het leven van een dierenliefhebber barst van de dilemma’s. Dat bewijst deze verzuchting van een vriendin maar weer. (Voor de duidelijkheid: Koe is een kat.)
Glucosamine gemaakt van haaien? Dat was nieuws voor mij! Ik check een potje dat ik nog in de kast heb staan. De tekst vermeldt niets over haaien, maar noemt wel ‘schaaldieren (glucosamine)’. Die dieren eet ik ‘bewust’ ook niet. Onbewust, weet ik nu, heb ik in het verleden precies 58 pillen met gemalen schaaldieren ingenomen.
Uit een hoogst onwetenschappelijk Google-rondje leer ik dat ‘pure en natuurlijke’ glucosamine inderdaad is gemaakt van gemalen haaienkraakbeen. De ‘neppers’ bevatten runderkraakbeen of schaaldieren.
Het goedje helpt tegen artrose, reuma en psoriasis. Lijd je aan niets, dan krijg je er lekker ‘soepele gewrichten en spieren’ van. Volgens ene Dr. William I. Lane geneest het zelfs kanker. Ik lees dat de in Costa Rica consult houdende dokter zo veel betaalt voor opgeviste haaien, dat ze daar nu met de ondergang bedreigd worden.
De haai heeft meer vijanden dan Dr. Lane alleen. In Zuid-Oost-Azië verdwijnt het dier behalve in medicijnen ook in de soep. Haaienvinnensoep is er een delicatesse. Tot mijn verrassing ontdek ik dat we de grootste exporteur van haaienvinnen niet moeten zoeken in Azië. Het is Europa.
Datzelfde EU wil nu een wet tegen het ontvinnen van levende haaien. Volgens de Eurocommissaris voor visserij worden ‘75 miljoen haaien per jaar om hun vinnen gedood’. En blijkbaar zijn nu ‘in de Middellandse Zee al geen hamerhaaien meer te vinden’.
Het is nauwelijks nieuws. Jaren geleden meldde de natuurbeschermingsorganisatie IUCN al dat ‘een derde van de haaiensoorten op punt van uitsterven staat’. Een tien jaar geleden gelanceerd plan voor de wereldwijde bescherming van haaien mislukte jammerlijk. De jacht is sindsdien alleen maar toegenomen. Veel hoop heb ik dus niet voor de bedreigde haaien.
Tijdens mijn onderzoekje viel me op dat in de berichten over de uitstervende haai de opgeheven vingertjes vooral richting Azië wijzen. Zij ook met hun rare eetgewoonten! Wij steken die vingers beter in eigen boezem. Zolang ‘haaienproducten’ hier nog bij elke drogist, natuurwinkel en via het internet verkrijgbaar zijn, hebben wij geen recht van spreken.
Het kan de haai vast niet schelen of hij doodgemaakt wordt voor een pil of een bordje soep. Hij is alleen gebaat bij een volledig en wereldwijd verbod op alle producten die van hem worden gemaakt.
maandag 9 april 2012
Naar de haaien
Labels:
glucosamine,
haai,
haaienvinnensoep,
ontvinnen
maandag 2 april 2012
Broodje poep
‘Eat my shit’ was wel de belangrijkste zin in de film The Help. Voor wie hem niet gezien heeft, een fragmentje. Poep. Mensen koken er hun potje op, smeren het op de muur of in hun haar. Maar poepeters, of fecalo’s op z’n Van Kooten en De Bie’s, zijn onder de menselijke soort misschien uitsluitend, en ook daar sporadisch, te vinden achter gesloten deuren van inrichtingen.
Voor sommige dieren is poep eten wel doodgewoon, bijvoorbeeld voor gorilla’s, konijnen en cavia’s. En wat te denken van de mestkever? Voor onze huisdieren vinden we het alweer een minder smakelijk idee. Honden die graag drollen eten sturen we liefst linea recta naar therapie.
Dat de ene poep is de andere niet is bewijst professor An Ynashi. Hij hoopt een van China’s nieuwe rijken te worden met zijn pandapoepthee. Zijn theeplanten worden uitsluitend bemest met – u raadt het al – pandakeutels.
Het lukt hem vast want niets is te gek in de wereld der delicatessen. De koffiebranche weet dat allang. Daar komen de meest exclusieve boontjes uit het achterwerk van een civetkat. De door de kat uitgepoepte waar brengt al gauw tussen de 200 en 750 euro per kilo op.
Wat heeft dit stukje te maken met dierenwelzijn hoor ik je denken? Nou, helemaal niks. Maar Ome Willem is er wel heel beroemd mee geworden...
Voor sommige dieren is poep eten wel doodgewoon, bijvoorbeeld voor gorilla’s, konijnen en cavia’s. En wat te denken van de mestkever? Voor onze huisdieren vinden we het alweer een minder smakelijk idee. Honden die graag drollen eten sturen we liefst linea recta naar therapie.
Dat de ene poep is de andere niet is bewijst professor An Ynashi. Hij hoopt een van China’s nieuwe rijken te worden met zijn pandapoepthee. Zijn theeplanten worden uitsluitend bemest met – u raadt het al – pandakeutels.
Het lukt hem vast want niets is te gek in de wereld der delicatessen. De koffiebranche weet dat allang. Daar komen de meest exclusieve boontjes uit het achterwerk van een civetkat. De door de kat uitgepoepte waar brengt al gauw tussen de 200 en 750 euro per kilo op.
Wat heeft dit stukje te maken met dierenwelzijn hoor ik je denken? Nou, helemaal niks. Maar Ome Willem is er wel heel beroemd mee geworden...
Labels:
civetkat,
coprofagie,
pandapoepthee,
poep
woensdag 21 maart 2012
Moordbedrijf
Een ‘moordbedrijf’ noemt Bleker maandag in Pauw en Witteman de geruimde ‘vogelgriepboerderij’ in het Limburgse Kelpen-Oler.
Hij bedoelde het vast anders, maar het is een uitstekende benaming voor de gruwelijke slachting die daar afgelopen zondag en maandag plaatsvond. De vergassing van 42.700 kalkoenen. ‘Iedereen kan begrijpen wat die mensen overkomt’, zegt hij, zijn voorhoofd diepgefronst van medeleven. ‘Ze zijn er behoorlijk kapot van.’
Boer, boerin en hun drie kinderen zijn verdrietig. (De staatssecretaris maakt er een punt van om de gezinssamenstelling te vermelden, inclusief de leeftijden van de kinderen.) Verdrietig dat ze de kalkoenen niet over een week of wat in kratten kunnen proppen om ze strak op elkaar gepakt in een vrachtwagen te stouwen.
Ze wogen op een haar na 11 kilo schoon aan de haak. Het moment dat de meeste plofkalkoenen er 21 miserabele weken leven op hebben zitten. Dan hadden boer en boerin de dieren vrolijk uitgezwaaid op hun enkele reis slachterij en waren ze vast niet verdrietig geweest.
Maar niet getreurd, het ministerie reikt weer eens diep in de beurs met publiek geld en maakt daarna fluks een slordige anderhalf miljoen euro over naar het getroffen ‘echt mooie hightechbedrijf’. Niet dat het gezin anders op een houtje (of is het botje?) had hoeven bijten. Het heeft om de hoek nog een tweede mesterij. Met nog eens duizenden kalkoenen à 35 euro per stuk.
De staatssecretaris nam voordat de dieren door uiterst langzame verstikking om het leven zouden komen nog even een kijkje in de stal. ‘Het zijn echt heel mooie dieren. Ze zien er gezond uit.’ En wie had gehoopt op enige compassie voor de marteldood die ze later zouden sterven: ‘Ja kalkoen, schitterende gerechten. Echt fantastisch!’
zondag 18 maart 2012
Oostvaardersplassen
zondag 4 maart 2012
Dieren SOS
Het is een trillend hoopje ellende. Aan zijn snavel hangt een druppel bloed en waar eerder in zijn nek nog fluorescerend turkooizen veertjes zaten, gaapt nu een bloederige kale plek. Het einde van de houtduif in het gras naast het hondenuitlaatpad lijkt nabij. Wat te doen? Pak ik hem op en probeer ik hem te helpen of laat ik de natuur haar werk doen?
De discussie over het wel of niet opvangen van zieke en gewonde wilde dieren laait regelmatig op in de media. Laatst nog, over de opvang van zieke zeehonden. ‘Een kwestie van fatsoen’, volgens het centrum van Lenie ’t Hart.
Voor wetenschapsjournalist Rob Buiter is het punt bereikt ‘dat je vooral je eigen gemoedsrust sust met de opvang van deze dieren’. En: ‘De overheid zou de opvang van dieren die een natuurlijke dood dreigen te sterven moeten verbieden.’ ‘Het natuurlijk evenwicht van de Waddenzee is in gevaar’, zegt Anton Hurkens, directeur van Ecomare.
‘Niet álle gewonde dieren hebben hulp nodig’, vindt ook directeur Frank Dales van de Dierenbescherming. Hij maakt onderscheid tussen dieren die ziek of gewond zijn door natuurlijke oorzaken of door menselijk handelen. Een wild dier dat niet meer terug kan naar de natuur is niet gebaat bij levenslange opsluiting, redeneert hij. Daar heeft hij een punt, maar betekent ‘hulp’ dan altijd ‘opvang’?
‘Mijn’ houtduif wacht misschien nog veel pijn en stress voor hij een natuurlijke dood sterft. Wie weet wordt hij nogmaals gepakt door een vogel of opgejaagd door een hond. Doorlopen en niets doen kan ik niet over mijn hart verkrijgen en ik heb geen idee hoe ik de dood een handje moet helpen. Maar zelfs al zou ik wel weten hoe ik het beestje snel en pijnloos uit zijn lijden kan verlossen, zou ik het niet kunnen.
Ik pak mijn telefoon en bel de Dieren SOS: ‘Ik heb een zwaargewonde duif gevonden...’ ‘We komen eraan!’ Ik wikkel de duif in mijn sjaal en hou hem tegen mijn lijf onder mijn jas. Zijn pootje houdt hij stijf om mijn vinger geklemd. Hij ademt al wat rustiger. Als Moeder Natuur heeft besloten dat hij vandaag moet sterven, dan kan ik ervoor zorgen dat hij niet langer hoeft te lijden. Mijn gemoedsrust is gesust.
Foto: © Handboek Natuurfotografie|Fotograaf Edo van Uchelen
De discussie over het wel of niet opvangen van zieke en gewonde wilde dieren laait regelmatig op in de media. Laatst nog, over de opvang van zieke zeehonden. ‘Een kwestie van fatsoen’, volgens het centrum van Lenie ’t Hart.
Voor wetenschapsjournalist Rob Buiter is het punt bereikt ‘dat je vooral je eigen gemoedsrust sust met de opvang van deze dieren’. En: ‘De overheid zou de opvang van dieren die een natuurlijke dood dreigen te sterven moeten verbieden.’ ‘Het natuurlijk evenwicht van de Waddenzee is in gevaar’, zegt Anton Hurkens, directeur van Ecomare.
‘Niet álle gewonde dieren hebben hulp nodig’, vindt ook directeur Frank Dales van de Dierenbescherming. Hij maakt onderscheid tussen dieren die ziek of gewond zijn door natuurlijke oorzaken of door menselijk handelen. Een wild dier dat niet meer terug kan naar de natuur is niet gebaat bij levenslange opsluiting, redeneert hij. Daar heeft hij een punt, maar betekent ‘hulp’ dan altijd ‘opvang’?
‘Mijn’ houtduif wacht misschien nog veel pijn en stress voor hij een natuurlijke dood sterft. Wie weet wordt hij nogmaals gepakt door een vogel of opgejaagd door een hond. Doorlopen en niets doen kan ik niet over mijn hart verkrijgen en ik heb geen idee hoe ik de dood een handje moet helpen. Maar zelfs al zou ik wel weten hoe ik het beestje snel en pijnloos uit zijn lijden kan verlossen, zou ik het niet kunnen.
Ik pak mijn telefoon en bel de Dieren SOS: ‘Ik heb een zwaargewonde duif gevonden...’ ‘We komen eraan!’ Ik wikkel de duif in mijn sjaal en hou hem tegen mijn lijf onder mijn jas. Zijn pootje houdt hij stijf om mijn vinger geklemd. Hij ademt al wat rustiger. Als Moeder Natuur heeft besloten dat hij vandaag moet sterven, dan kan ik ervoor zorgen dat hij niet langer hoeft te lijden. Mijn gemoedsrust is gesust.
Foto: © Handboek Natuurfotografie|Fotograaf Edo van Uchelen
Labels:
Dieren SOS,
Dierenbescherming,
Ecomare,
Frank Dales,
houtduif,
wilde dieren,
zeehondenopvang
Uit de oude doos
Zonder het te weten zijn alle mannen in de plastic afdeling, vader geworden van drie poesjes. Eén dezer dagen vond de heer Luyten in één van de loodsen dit jonge leven. Na het nemen van deze foto was moederpoes de volgende dag met haar kroost verdwenen.
Uit het personeelsblad van Tomado, jaren zeventig.
zondag 12 februari 2012
dinsdag 10 januari 2012
Aangehaald
'Juristen wekken de indruk, maar dat geldt voor de hele overheid, dat er in Nederland alleen 16 miljoen menselijke onderdanen zijn. Maar dat er ook nog twee miljoen koeienonderdanen en tien miljoen varkensonderdanen zijn, om nog maar te zwijgen van alle mussen, spreeuwen, voorns, vliegen en muskieten, daar is niet over nagedacht.'
Midas Dekkers
Midas Dekkers
maandag 26 december 2011
Aangehaald
‘Iedereen die er een doodrijdt en denkt, ach het was maar een egel, zou er een vast moeten houden en van heel dichtbij naar hem moeten kijken en zich realiseren wat deze dieren allemaal kunnen, hoe slim en dapper ze zijn.’
Hugh Warwick, uit: Gek op egels
Hugh Warwick, uit: Gek op egels
Gek op egels – Hoe egels de wereld kunnen redden
Ze stinken, zijn vergeven van vlooien, leven solitair, zijn stekelig en komen alleen ’s nachts tevoorschijn. En toch kunnen zij wereldwijd rekenen op een schare fans en bewonderaars: egels. Ze waren al geliefd bij de oude Egyptenaren en de Mesopotamiërs.
Met typisch Engelse humor (overigens uitstekend vertaald door Maureen Kemperink) vertelt ecoloog Hugh Warwick hoe hij verslaafd raakte aan egels en de avonturen die hij met deze prikkelige bolletjes (Erinaceus europaeus) beleefde. Hij kroop onder meer nachtenlang met hen door heggen en sloten.
Warwicks boek barst van de leerzame weetjes over deze bijzondere zoogdieren. Bijvoorbeeld: ze beschikken over vijf- tot zevenduizend stekels, rollen zich binnen 0,01 seconde op en kunnen – wel even de rok optrekken! – een topsnelheid van 9 km/u bereiken. Voor culinaire durfallen is er een recept voor spaghetti carbonara met stukjes egel. Egels komen voor in de bijbel, sprookjes, strips, films, boeken en logo’s.
In het boek laat de auteur een bonte parade van egelkenners en -liefhebbers de revue passeren. Maar ook egelhaters (voornamelijk obsessieve vogelaars) komen aan bod. Zelfs speciale egel-exterminators! Er zijn in het verleden meerdere grootschalige vervolgingen van egels voorgekomen. In China gaat Warwick op zoek naar zijn stekelige naamgenoot (Hemiechinus hughi) ‘die de laatste honderd jaar pas twaalf keer was gezien’.
Waarom juist dit dier zo veel aanbidders heeft, is een vraag die Gek op egels ruim beantwoordt. Warwick zegt het zo: ‘Geen enkel ander wild dier is te vergelijken met de egel – geen enkel ander wild dier staat ons toe zo dichtbij te komen. Neus aan neus met een egel kijk je recht in zijn ogen en vang je een glimp op van het echte leven in het wild.’
In het laatste hoofdstuk ontpopt de auteur zich als advocaat voor de egels. ‘Egels zijn behoorlijk robuuste wezens. Zij komen voor in verschillende soorten en maten sinds de begintijd van de zoogdieren, de eerste versies zelfs al in de nadagen van de dinosaurussen. Ze overleefden ijstijden, mammoeten en sabeltandtijgers en wisten bovendien een symbiotische relatie op te bouwen met de voornaamste predatoren, mensen. Maar het lijdt geen twijfel: egels worden bedreigd.’
Hoe kunnen deze koddige insecteneters de wereld redden? ‘De egel heeft veel te vertellen over onze manier van leven en wat er nog over is van de natuurlijke omgeving.’ De gezondheid van alle wilde dieren gaat achteruit en dat moeten we ons aantrekken. ‘Als we de buitenwereld zo ongastvrij hebben gemaakt dat egels nergens meer kunnen gedijen, dan is het enige wat er voor hen nog overblijft hun intrek te nemen in een kooi met een molentje erin.’ En: ‘Egels zijn een soort stekelige kanaries, zij waarschuwen ons voor een explosief mengsel in de atmosfeer.’
Gek op egels is grappig, leerzaam en onderhoudend. Een boek dat je keer op keer wilt herlezen. Een boek dat ons zonder ook maar eenmaal belerend te zijn, leert om meer dan waardering te hebben voor de natuur.
Gek op egels – Hoe egels de wereld kunnen redden, Hugh Warwick , KNNV Uitgeverij, speciale actieprijs tot en met 31 december 2011
Met typisch Engelse humor (overigens uitstekend vertaald door Maureen Kemperink) vertelt ecoloog Hugh Warwick hoe hij verslaafd raakte aan egels en de avonturen die hij met deze prikkelige bolletjes (Erinaceus europaeus) beleefde. Hij kroop onder meer nachtenlang met hen door heggen en sloten.
Warwicks boek barst van de leerzame weetjes over deze bijzondere zoogdieren. Bijvoorbeeld: ze beschikken over vijf- tot zevenduizend stekels, rollen zich binnen 0,01 seconde op en kunnen – wel even de rok optrekken! – een topsnelheid van 9 km/u bereiken. Voor culinaire durfallen is er een recept voor spaghetti carbonara met stukjes egel. Egels komen voor in de bijbel, sprookjes, strips, films, boeken en logo’s.
In het boek laat de auteur een bonte parade van egelkenners en -liefhebbers de revue passeren. Maar ook egelhaters (voornamelijk obsessieve vogelaars) komen aan bod. Zelfs speciale egel-exterminators! Er zijn in het verleden meerdere grootschalige vervolgingen van egels voorgekomen. In China gaat Warwick op zoek naar zijn stekelige naamgenoot (Hemiechinus hughi) ‘die de laatste honderd jaar pas twaalf keer was gezien’.
Waarom juist dit dier zo veel aanbidders heeft, is een vraag die Gek op egels ruim beantwoordt. Warwick zegt het zo: ‘Geen enkel ander wild dier is te vergelijken met de egel – geen enkel ander wild dier staat ons toe zo dichtbij te komen. Neus aan neus met een egel kijk je recht in zijn ogen en vang je een glimp op van het echte leven in het wild.’
In het laatste hoofdstuk ontpopt de auteur zich als advocaat voor de egels. ‘Egels zijn behoorlijk robuuste wezens. Zij komen voor in verschillende soorten en maten sinds de begintijd van de zoogdieren, de eerste versies zelfs al in de nadagen van de dinosaurussen. Ze overleefden ijstijden, mammoeten en sabeltandtijgers en wisten bovendien een symbiotische relatie op te bouwen met de voornaamste predatoren, mensen. Maar het lijdt geen twijfel: egels worden bedreigd.’
Hoe kunnen deze koddige insecteneters de wereld redden? ‘De egel heeft veel te vertellen over onze manier van leven en wat er nog over is van de natuurlijke omgeving.’ De gezondheid van alle wilde dieren gaat achteruit en dat moeten we ons aantrekken. ‘Als we de buitenwereld zo ongastvrij hebben gemaakt dat egels nergens meer kunnen gedijen, dan is het enige wat er voor hen nog overblijft hun intrek te nemen in een kooi met een molentje erin.’ En: ‘Egels zijn een soort stekelige kanaries, zij waarschuwen ons voor een explosief mengsel in de atmosfeer.’
Gek op egels is grappig, leerzaam en onderhoudend. Een boek dat je keer op keer wilt herlezen. Een boek dat ons zonder ook maar eenmaal belerend te zijn, leert om meer dan waardering te hebben voor de natuur.
Gek op egels – Hoe egels de wereld kunnen redden, Hugh Warwick , KNNV Uitgeverij, speciale actieprijs tot en met 31 december 2011
Labels:
Egel,
Erinaceus europaeus,
Gek op egels,
Hugh Warwick
woensdag 21 december 2011
Aangehaald
‘Er zijn geen slechte honden, alleen slechte bazen’
Cesar Millan
Eerherstel voor De Poedel
Bedrijfspoedel is de politieke term van het jaar 2011. In de internetverkiezing van Van Dale won het woord glansrijk van ‘polentaks’ en ‘halbeheffing’. (Huh? Halbe-wat?). Persoonlijk vond ik vleeshufter leuker, maar dat woord mocht alleen meedoen in de categorie Lifestyle. Of de Nederlandse Poedel Club blij is met de uitslag valt te bezien. Leden van de club trokken eerder al eens naar het Binnenhof om hun ongenoegen te uiten over de bezoedeling van de reputatie van hun viervoeters.
Poedels moeten het niet alleen in Nederland ontgelden. In Egypte staat de leider van de Militaire Raad maarschalk Hoessein Tantawi bekend als ‘trouwe poedel van Mubarak’. Reden genoeg om de straat op te gaan en zijn vertrek te eisen. Of de Egyptische poedelclub het Tahirplein al heeft bestormd is mij overigens niet bekend.
Het ras komt ook al niet voor in de top 10 van populairste hondenrassen. De poedel moest het afleggen tegen trendy leeghoofdjes als Franse buldogs en chihuahua’s en het ADHD’ertje de Jack Russel Terrier. Wat heeft de poedel toch misdaan om zo uit de gratie te raken?
De poedel is een van de meest intelligente hondenrassen. Mede daarom zijn ze heel geschikt als hulphond. Dat de poedel in de loop der tijd van stoere jacht- en waterhond is omgevormd tot pompons dragende cheerleaders met ontplofte permanentjes valt alleen hun baasjes aan te rekenen.
Ik stel voor het woord poedel tot geuzennaam te verheffen. Een eretitel voor iedereen die over poedelige kwaliteiten beschikt: grote intelligentie, leergierigheid en loyaliteit. En prima gezelschap zijn ze ook nog, die poedels. Noem uw geliefden, vrienden en collega’s dus voortaan gerust poedel. Het is een compliment.
Poedels moeten het niet alleen in Nederland ontgelden. In Egypte staat de leider van de Militaire Raad maarschalk Hoessein Tantawi bekend als ‘trouwe poedel van Mubarak’. Reden genoeg om de straat op te gaan en zijn vertrek te eisen. Of de Egyptische poedelclub het Tahirplein al heeft bestormd is mij overigens niet bekend.
Het ras komt ook al niet voor in de top 10 van populairste hondenrassen. De poedel moest het afleggen tegen trendy leeghoofdjes als Franse buldogs en chihuahua’s en het ADHD’ertje de Jack Russel Terrier. Wat heeft de poedel toch misdaan om zo uit de gratie te raken?
De poedel is een van de meest intelligente hondenrassen. Mede daarom zijn ze heel geschikt als hulphond. Dat de poedel in de loop der tijd van stoere jacht- en waterhond is omgevormd tot pompons dragende cheerleaders met ontplofte permanentjes valt alleen hun baasjes aan te rekenen.
Ik stel voor het woord poedel tot geuzennaam te verheffen. Een eretitel voor iedereen die over poedelige kwaliteiten beschikt: grote intelligentie, leergierigheid en loyaliteit. En prima gezelschap zijn ze ook nog, die poedels. Noem uw geliefden, vrienden en collega’s dus voortaan gerust poedel. Het is een compliment.
Labels:
bedrijfspoedel,
honden,
Nederlandse Poedel Club,
poedel,
vleeshufter
maandag 12 december 2011
Aangehaald
‘Ecologen stellen nu al grimmig vast dat in het land van de bio-based economy, de verscheidenheid aan plant- en diersoorten in de stedelijke omgeving hoger is dan op het veelgeprezen platteland.’
Johan van de Gronden, filosoof en directeur van Wereld Natuur Fonds
Johan van de Gronden, filosoof en directeur van Wereld Natuur Fonds
Scholekstermania
De Dordtse Kil III. De eerste keer dat ik er kwam was begin maart. Het was op een zondag en ik reed rond op het industrieterrein om uit te zoeken waar het kantoor van Dordt Centraal precies was. De ochtend erna moest ik daar zijn voor een sollicitatiegesprek. Verdwalen doe ik net zo gemakkelijk als autorijden, dus een grondige voorbereiding is geen overbodige luxe.
Het is een industrieterrein zoals je overal in Nederland vindt. Een grotendeels lege vlakte, doorkruist met wegen en hier en daar een plukje bedrijven en kantoren. De bouwplannen voor nieuwe bedrijfspanden in de kiem gesmoord door de crisis. Behalve werk, heeft niemand er iets te zoeken, dacht ik.
Ik kreeg de baan en in juni begon ik mijn baantje als journalist. De eerste dag dat ik aan ‘mijn’ bureau aan het raam zat, zag ik een haas voorbij huppelen. Een dag later een scholeksterkoppel (Haematopus Ostralegus). Elke werkdag zag ik de vogels met hun opvallende oranje snavels en roodomrande ogen rondscharrelen op zoek naar wormen. Het Stadsdepot, onze buur, houdt het grasveldje waarop ik uitkeek goed kort en daar houden ze van.
Nog meer hazen, aalscholvers en een keur aan vogels bevolkten mijn uitzicht, maar mijn favorieten waren toch de scholeksters. Ik had er nog nooit eerder een gezien. Er zijn wetenschappers die voorspellen dat dit prachtige dier binnen een jaar of tien zal uitsterven, terwijl ik iedere dag van ze mocht genieten.
Tot de dag dat er nog maar eentje was. Lang hoopte ik dat zijn wederhelft weer zou opduiken. Tevergeefs. Na een week of wat foerageerde het dier in stilte. Zijn voortdurende klagende geroep naar zijn maatje had niets uitgehaald.
Tijdens mijn laatste week op de redactie bleef het veldje achter het depot leeg. Ook de laatste scholekster was verdwenen. Voor ik na mijn allerlaatste werkdag in mijn auto stap, laat ik nog eenmaal mijn blik over het grasveld dwalen. Stiekem hoop ik dat hij vertrokken is naar nog groenere weiden. Ergens waar hij niet meer alleen hoeft te zijn.
Het is een industrieterrein zoals je overal in Nederland vindt. Een grotendeels lege vlakte, doorkruist met wegen en hier en daar een plukje bedrijven en kantoren. De bouwplannen voor nieuwe bedrijfspanden in de kiem gesmoord door de crisis. Behalve werk, heeft niemand er iets te zoeken, dacht ik.
Ik kreeg de baan en in juni begon ik mijn baantje als journalist. De eerste dag dat ik aan ‘mijn’ bureau aan het raam zat, zag ik een haas voorbij huppelen. Een dag later een scholeksterkoppel (Haematopus Ostralegus). Elke werkdag zag ik de vogels met hun opvallende oranje snavels en roodomrande ogen rondscharrelen op zoek naar wormen. Het Stadsdepot, onze buur, houdt het grasveldje waarop ik uitkeek goed kort en daar houden ze van.
Nog meer hazen, aalscholvers en een keur aan vogels bevolkten mijn uitzicht, maar mijn favorieten waren toch de scholeksters. Ik had er nog nooit eerder een gezien. Er zijn wetenschappers die voorspellen dat dit prachtige dier binnen een jaar of tien zal uitsterven, terwijl ik iedere dag van ze mocht genieten.
Tot de dag dat er nog maar eentje was. Lang hoopte ik dat zijn wederhelft weer zou opduiken. Tevergeefs. Na een week of wat foerageerde het dier in stilte. Zijn voortdurende klagende geroep naar zijn maatje had niets uitgehaald.
Tijdens mijn laatste week op de redactie bleef het veldje achter het depot leeg. Ook de laatste scholekster was verdwenen. Voor ik na mijn allerlaatste werkdag in mijn auto stap, laat ik nog eenmaal mijn blik over het grasveld dwalen. Stiekem hoop ik dat hij vertrokken is naar nog groenere weiden. Ergens waar hij niet meer alleen hoeft te zijn.
Labels:
Dordtse Kil III,
Haematopus Ostralegus,
scholekster
zondag 20 november 2011
Ecologie vs economie

‘Ik ben geen natuurbarbaar’, zei staatssecretaris Bleker afgelopen vrijdag. Hij verdedigde zijn nieuwe Wet natuur. Hij is geen ecoloog of bioloog, maar hij weet zeker dat ‘burgers, boeren en bedrijven’ prima in staat zijn om zelf de natuur te beschermen.
‘Ik ben geen rechtse lul die overal asfalt wil’, zegt filosoof Bas Haring in de Volkskrant van zaterdag. Hij promoot zijn nieuwe boek Plastic panda’s. Hij is geen ecoloog of bioloog, maar hij weet het zeker: ‘het verdwijnen van soorten is niet zo erg voor de rest van de wereld’.
Van wie is de natuur eigenlijk? Van de overheid, van de boeren of van de jagers? Is de natuur van mij? Van jou? Van ons? Mag een projectontwikkelaar straks beslissen welke soort de moeite waard is om te beschermen en welke niet? Mag een jager uitmaken welk dier overlast geeft en dus moet sterven?
In het rijkste land van Europa is van ‘de oorspronkelijke verscheidenheid aan plant- en diersoorten voor 85 procent verloren gegaan. Nederland heeft na Malta het minste natuur en bos in heel Europa’, zegt Johan van de Gronden, filosoof en directeur van Wereld Natuur Fonds. Toch moeten we volgens de staatssecretaris de economie beschermen tegen de ecologie.
‘Wij zijn maar één soort’, zegt Matthijs Schouten, ‘maar we nemen ontzettend veel ruimte in beslag. Ik snap heel goed dat sommige boeren klagen over overlast van ganzen. Aan de andere kant: die gans is ook een levend organisme dat een plek zoekt. En wij hebben al zo veel plek ingenomen.’ Schouten is bioloog, filosoof en hoogleraar in Wageningen.
‘Mensen die met argumenten komen tegen al te bruuske bezuinigingen op natuur worden uitgemaakt voor mastodonten, linkse hobbyisten of voor elitaire intellectuelen’, weet Schouten. ‘In een beschaafde samenleving (...) moet ook dat wat niet kan concurreren op de markt gehoord worden. En daar moet ook naar dat wat zelf geen stem heeft, zoals de natuur, geluisterd worden.’
Ik ben geen politicus of filosoof. Noch ecoloog of bioloog. Ik ben een gewone Nederlander die het wél erg vindt dat er dier- en plantsoorten verdwijnen, om geen andere reden dan dat de politiek ze niet ‘nuttig’ vindt. Ik geef mijn stem aan de natuur en de dieren die erin leven. En jij?
Labels:
Bas Haring,
biodiversiteit,
Henk Bleker,
Johan van de Gronden,
Matthijs Schouten,
Pink,
Wet natuur
Abonneren op:
Posts (Atom)








